Zowel de leeftijd van de leerlingen (m.i.v. een gecorrigeerde rangschikking van de landen) als de voorschoolse geletterdheid wordt behandeld.
In PIRLS worden in principe leerlingen uit het vierde leerjaar van het lager onderwijs van verschillende landen vergeleken. Uit de resultaten blijkt dat de gemiddelde leeftijd van de deelnemende leerlingen verschilt tussen de landen. Dit is ondermeer het gevolg van het feit dat in twee landen (Luxemburg en Zuid-Afrika) leerlingen van het vijfde leerjaar deelgenomen hebben. Ook allerlei verschillen tussen de onderwijssystemen en enige variatie in het afnamemoment van de toets spelen een rol.
Als men de samenhang tussen de gemiddelde leeftijd en de gemiddelde prestatiescore over alle landen berekent, blijkt die licht negatief te zijn (zie tabel). Dit betekent dat de leerlingen van de sterk presterende landen gemiddeld iets jonger zijn dan die van de zwak presterende landen. Desondanks vertekenen de verschillen tussen de landen wat betreft de gemiddelde leeftijd de algemene rangschikking van de landen.
Het grote belang van de leeftijd blijkt immers zeer duidelijk als men de resultaten voor PIRLS 2001 en voor PIRLS 2006 vergelijkt, en meer specifiek als men de samenhang tussen de vooruitgang of de achteruitgang inzake de leesvaardigheid over die periode van vijf jaar en de toename of afname van de gemiddelde leeftijd tussen die twee momenten per land bekijkt (zie tabel). Die samenhang bedraagt 0,53. Dit betekent dus dat de toename of de afname van de gemiddelde leeftijd een belangrijke verklaring voor de vooruitgang of achteruitgang van een land inzake het prestatieniveau is.
Het lijkt dan ook aangewezen te corrigeren voor het feit dat de gemiddelde leeftijd van de leerlingen tussen de landen in PIRLS 2006 nogal varieert. Op basis van de beschikbare informatie mogen we aannemen dat de leerlingen van een bepaald land op één jaar tijd ongeveer 42 punten vooruitgaan (zie o.m. Rindermann, 2007) . Onder meer op basis van Zweeds onderzoek mogen we aannemen dat één derde van die vooruitgang het gevolg is van het feit dat men één jaar ouder wordt en dat twee derden het resultaat is van een bijkomend jaar onderwijs (cf. emailbericht van J.E. Gustafsson op 16/11/2007). Dit betekent dus dat we per jaar dat de leerlingen ouder zijn 14 punten moeten aftrekken en dat we voor de twee landen die met een vijfde leerjaar deelnamen, nog 28 punten extra moeten aftrekken.
Als we dit doen, bekomen we de gecorrigeerde scores die in deze tabel opgenomen zijn. De nieuwe rangordening wordt aangevoerd door Hong Kong, gevolgd door drie Canadese provincies en Italië. Vlaanderen komt op de achtste plaats (op 45), onmiddellijk voorafgegaan door Rusland en Singapore. Binnen de West-Europese landen komt Vlaanderen op de tweede plaats en Nederland op de derde. Luxemburg zakt naar de positie juist voor Wallonië (zie tabel).
Deze laatste tabellen bevatten o.i. een meer verantwoorde rangschikking dan degene die internationaal gepubliceerd wordt (althans als we mogen aannemen dat één jaar ouder worden in alle landen ongeveer gelijkaardige effecten heeft).
De voorschoolse geletterdheid gaat over de vraag (door de ouders beantwoord) hoe goed de leerling vóór de instap in het eerste leerjaar in staat was om: de meeste letters van het alfabet te herkennen, enkele woorden te lezen, zinnen te lezen, letters van het alfabet te schrijven en enkele woorden te schrijven. Op basis van die gegevens werden de leerlingen in vier categorieën ingedeeld: helemaal niet, niet erg goed, redelijk goed, heel erg goed.
De tabel geeft de percentages van de leerlingen weer in deze vier categorieën. Het blijkt dat Vlaanderen de laatste plaats inneemt wat betreft ‘heel erg goed’. Wat het percentage leerlingen betreft dat helemaal niet geletterd was bij de start van het lager onderwijs, bekleedt Vlaanderen in de West-Europese ranglijst een eerste plaats.
Slechts 11% van de Vlaamse leerlingen was heel erg goed geletterd bij de start van het lager onderwijs (internationaal gemiddelde: 31%), 29% gematigd goed (internationale gemiddelde: 35%), 34% niet zo goed (internationale gemiddelde: 23%) en 25% van de leerlingen was helemaal niet voorschools geletterd (internationale gemiddelde: 12%). Vooral Spanje, maar ook Zweden, Denemarken, Frankrijk en Wallonië vertonen een grote voorschoolse geletterdheid.
|