Hoe zit het met de ongelijkheid in Vlaanderen? Om een antwoord te vinden op deze vraag kijken we ten eerste naar het diploma van de moeder. Vervolgens bespreken we het aantal boeken dat men thuis heeft. Ten slotte wordt de thuistaal behandeld.
In de grafiek zien we de ongelijkheid in leesscore in functie van het hoogste diploma dat de moeder behaalde voor de West-Europese landen. Een laag diploma betekent hier een diploma lager secundair onderwijs of minder. Een hoog diploma betekent een diploma hoger onderwijs. We zien dat voor alle opgenomen landen de leerlingen lager scoren wanneer hun moeder een lager diploma heeft. Het verschil in leesscore tussen kinderen van een moeder met een laag diploma en kinderen van een moeder met een hoog diploma is het kleinst in Nederland en het grootst in Oostenrijk (zie tabel). (Engeland wordt verder niet opgenomen bij deze variabele omwille van het hoge percentage (53.6%) ontbrekende gegevens). Slechts in vier van de West-Europese landen is het verschil kleiner dan in Vlaanderen. In Wallonië is het verschil relatief groot. Deze tabel bevat meer gedetailleerde informatie.
De samenhang tussen het aantal boeken thuis en de prestaties van begrijpend lezen in het vierde leerjaar is duidelijk te zien in de bijhorende grafiek. Daarin vergelijken we de prestaties van kinderen die thuis meer dan 25 boeken hebben met die van de kinderen bij wie er thuis 25 of minder boeken zijn. In de tabel zien we dat het verschil in prestatie tussen deze twee groepen leerlingen in Luxemburg het grootst is. Ook in Wallonië is de kloof nogal groot. Vlaanderen houdt deze kloof het kleinst, samen met Nederland. (Engeland is opnieuw weggelaten wegens meer dan de helft (53.6%) ontbrekende gegevens). Meer gedetailleerde gegevens zijn opgenomen in deze tabel.
In de grafiek zien we dat de thuistaal een belangrijke rol speelt bij de leesvaardigheid in die zin dat kinderen die thuis de taal spreken waarin de test wordt afgenomen, het beter doen dan kinderen die thuis een andere spreken. Oostenrijk vertoont de grootste kloof. Maar ook Duitsland, Vlaanderen, Noorwegen en Luxemburg horen bij de landen met een grote kloof. Denemarken en Wallonië daarentegen houden van de West-Europese landen de kloof het kleinst. Alleen Schotland vertoont een nog kleinere kloof én in dat land presteren leerlingen die thuis een andere taal spreken dan de testtaal zelfs iets beter dan leerlingen van wie de testtaal ook de thuistaal is. (Engeland is opnieuw weggelaten wegens meer dan de helft (53.6%) ontbrekende gegevens).
Als men de tabel bekijkt, heeft men de indruk dat vooral de landen waar er een Germaanse taal gesproken wordt anderstaligen moeilijker integreren, terwijl dit voor landen met een Romaanse (en een Angelsaksische) taal vlotter verloopt. Wellicht speelt de vertrouwdheid van de allochtonen met de nieuwe landstaal bij de aanvang van de migratie een rol.
|